COMETA-rapport
UFO's en defensie - Waarop moeten we zijn voorbereid?
Oorspronkelijke titel:
Les OVNI et la défense - A quoi doit-on se préparer?
ISSN 1278-916 X
Uitgever: G.S. Presse Communication, 92309 Levallois-Perret Cedex, Frankrijk.
© G.S. Presse Communication, 1999
Op 16 juli 1999 werd in Frankrijk een rapport gepubliceerd getiteld 'UFO's en defensie - Waarop moeten we zijn voorbereid?' (Les OVNI et la défense - A quoi doit-on se préparer?). Dit negentig pagina's tellende document is het resultaat van een diepgaande studie over UFO's, uitgevoerd door onder anderen Franse luchtmachtgeneraals en hooggeplaatste ambtenaren. Het is een van de belangwekkendste rapporten die in de laatste decennia over het UFO-fenomeen zijn verschenen. Het bevat vele aspecten van het onderwerp, in het bijzonder vragen met betrekking tot defensie.
Het COMETA-rapport werd in de zomer van 1999 aan de Franse president Chirac en aan premier Jospin gepresenteerd. Een storm van publiciteit was in Frankrijk het gevolg. Het rapport is in dat jaar ook naar de toonaangevende Nederlandse nieuwsmedia gestuurd. Desondanks werd er door de media in Nederland geen aandacht aan besteed.
Samenvatting van het COMETA rapport door Gildas Bourdais
Deze studie werd gedurende meerdere jaren uitgevoerd door een onafhankelijke groep van voormalige auditoren bij het Instituut voor Hogere Studies van Nationale Defensie, ofwel IHEDN (Institut des Hautes Etudes de Défense Nationale) en door gekwalificeerde deskundigen afkomstig uit diverse vakgebieden.
Voordat het rapport in 1999 aan het publiek werd gepresenteerd, is het aangeboden aan de Franse president Jacques Chirac en aan premier Lionel Jospin.
Het rapport bevat een voorwoord van luchtmachtgeneraal Bernard Norlain, die een voormalige directeur van IHEDN is, en begint met een inleiding door professor André Lebeau, voormalig voorzitter van het Nationale Centrum voor Ruimtestudies (Centre National d'Etudes Spatiales, CNES), de Franse equivalent van NASA. De groep zelf, die de gemeenschappelijke auteur is van het rapport, wordt COMETA genoemd, wat staat voor Comité voor Diepgaande Studies.
COMETA wordt voorgezeten door:
Denis Letty, generaal van de luchtmacht, voormalig auditor (VA) bij IHEDN.
Een lijst van COMETA-leden wordt gegeven voorin het rapport. Deze bevat de volgende namen:
Michel Algrin, doctor in de politicologie en advocaat (VA van IHEDN);
Pierre Bescond, hoofdingenieur wapenontwikkeling (VA van IHEDN);
Denis Blancher, hoofd van de nationale politie bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken;
Jean Dunglas, hoofdcommissaris van politie bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken;
Bruno Le Moine, generaal van de luchtmacht (VA van IHEDN);
Françoise Lépine, werkzaam bij de Stichting van Defensiestudies;
Christian Marchal, hoofdingenieur van het nationale Corps des Mines en research-leider van het Nationale bureau voor luchtvaartonderzoek (ONERA);
Marc Merlo, admiraal (VA van IHEDN);
Alain Orszag, doctor in de fysica en hoofdwapeningenieur.
Het comité spreekt tevens zijn dank uit tegenover de volgende externe medewerkers:
Jean-Jacques Vélasco, hoofd van SEPRA (Service d'Expertise des Phénomènes de Rentrée Atmosphérique) bij CNES;
François Louange, algemeen directeur van Fleximage, gespecialiseerd in fotoanalyse;
M. Soun, medewerker van de Directie Burgerluchtvaart;
Joseph Domange, generaal van de luchtmacht, algemeen gedelegeerde van de Associatie van Auditoren bij IHEDN.
Jean-Charles Duboc, Jean-Pierre Fartek, René Giraud, civiel en militaire piloten;
Edmond Campagnac, voormalig directeur van Air France te Tananarive;
Joseph Domange, generaal van de luchtmacht en hoofdgedelegeerde van de Associatie van Auditoren.

Voorwoord
Generaal Norlain drukt zijn hoop uit dat dit rapport nieuwe initiatieven op nationaal gebied zal helpen ontwikkelen, evenals onontbeerlijke internationale samenwerking.Inleiding
Generaal Letty wijst als voorzitter van COMETA op het hoofdthema van het rapport: de opstapeling van goed gedocumenteerde waarnemingen dwingt ons ertoe alle hypotheses over de herkomst van UFO's in overweging te nemen en in het bijzonder de buitenaardse hypothese.Het comité presenteert vervolgens de inhoud van de studie. In het eerste deel bediscussiëren ze enkele opmerkelijke Franse en buitenlandse UFO-gevallen. In het tweede deel beschrijven ze de huidige organisatie van het onderzoek in Frankrijk en in het buitenland. Tevens komen aan de orde studies gedaan door wetenschappers wereldwijd die gedeeltelijke verklaringen kunnen bieden die in overeenstemming zijn met de nu bekende wetten van de natuurkunde. Vervolgens worden internationaal de belangrijkste verklaringen doorgenomen, variërend van geheime vliegtuigen tot buitenaardse manifestaties. Het derde deel onderzoekt maatregelen die moeten worden genomen indien de buitenaardse hypothese inderdaad zou worden bevestigd. Maatregelen ten aanzien van de defensie, van informatie aan zowel civiele als militaire piloten, tot strategische, politieke en religieuze consequenties.
DEEL I: Feiten en getuigenissen
Vele van de gevallen die hier zijn uitgekozen zijn welbekend bij de meeste onderzoekers en worden hieronder slechts beknopt weergegeven. Een aantal van deze gevallen wordt op het eind van dit artikel nader beschreven.- Getuigenverklaringen van Franse piloten: M. Giraud, piloot van een Mirage IV (1977); kolonel Bosc, straaljagerpiloot (1976); Air France vlucht AF 3532 (jan. 1994).
- Luchtvaartgevallen wereldwijd: Lakenheath, Engeland (1956); RB-47 USA (1957); Teheran, Iran (1976); San Carlos de Bariloche, Argentinië (1995).
- Waarnemingen vanaf de grond: Tananarive, Madagascar (1954); waarneming van een schotel vlakbij de grond door een Franse piloot, J.-P. Fartek (1979); waarneming van nabij boven een raketbasis bij Kapustin Yar, Rusland (1989).
- Nabije ontmoetingen in Frankrijk: Valensole, ontmoeting van Maurice Masse (1965); Cussac, Cantal (1976); Trans-en-Provence (1981); Nancy (zogenoemde Amarant-geval van 1982).
- Tegenvoorbeelden van opgehelderde fenomenen (twee gevallen). Hoewel de selectie beperkt is, lijkt deze voldoende om een ongeïnformeerde lezer die openstaat voor deze fenomenen te overtuigen van de realiteit van UFO's.
DEEL II: Het huidige kennisniveau
Het tweede deel getiteld 'Het huidige kennisniveau' (Le point des connaissances) onderzoekt de organisatie van officieel UFO-onderzoek in Frankrijk, vanaf de eerste instructies aan de Gendarmerie in 1974 aangaande de samenstelling van politierapporten, tot de oprichting en organisatie van GEPAN (Group d’Etudes des Phénomènes Aérospatiaux) in 1977, en de resultaten hiervan: de verzameling van meer dan 3000 rapporten van de Gendarmerie, studies over UFO-gevallen en statistische analyses. Vervolgens worden de afspraken bekeken die gemaakt zijn door GEPAN, en later SEPRA, met de luchtmacht en het leger, de civiele luchtvaart en andere organen, zoals civiele en militaire laboratoria voor de analyse van monsters en foto's.Met betrekking tot de methodes en de resultaten worden we herinnerd aan enkele beroemde gevallen (Trans-en-Provence, Nancy), en met nadruk wordt gewezen op de catalogi van gevallen, in het bijzonder die van piloten (Weinstein Catalogus), en 'radar/visuele' waarnemingen wereldwijd. Te lezen is een historische noot met een citaat uit de beroemde brief uit september 1947 van generaal Twining die melding maakt van de realiteit van UFO's. [Er wordt gerefereerd aan een geheim memorandum van de Amerikaanse generaal Nathan Twining aan generaal George Schulgen, waarin Twining verklaart: "Het fenomeen waarover wordt bericht, is iets reëels en niet iets visionairs of fictiefs... Er zijn objecten waarschijnlijk ongeveer met de vorm van een schijf, met dusdanige afmetingen dat ze net zo groot lijken te zijn als door de mens gemaakte vliegtuigen..." Twining noemt de indrukwekkende vliegprestaties van deze objecten, hun kennelijke metaalachtige structuur en andere karakteristieken die vaak worden geassocieerd met UFO-meldingen - GB]
Het volgende deel met de titel 'Hypotheses en pogingen tot het ontwerpen van een model' (OVNI: hypothèses, essais de modélisation) bespreekt enige modellen en hypotheses die in een aantal landen worden bestudeerd. Gedeeltelijke simulaties van UFO-voortstuwing zijn reeds uitgevoerd. Deze zijn gebaseerd op bepaalde aspecten van waarnemingen, zoals snelheid, beweging en acceleratie, motorstoring bij voertuigen die zich in de nabijheid bevonden, verlamming van getuigen, enz.
Eén model is MHD- (magneto-hydrodynamische) voortstuwing, die reeds met succes is getest in water en die over een paar decennia met behulp van supergeleidende circuits wellicht kan worden toegepast in de atmosfeer. Andere studies, zowel met betrekking tot voortstuwing in de atmosfeer als in de ruimte, worden kort genoemd, zoals deeltjeskanonnen, antizwaartekracht en gebruikmaking van planetaire en stellaire aantrekkingskrachten. Storingen bij motoren van landvoertuigen kunnen wellicht worden verklaard door microgolfstraling.
Inderdaad worden zeer sterke hyperfrequentie generatoren bestudeerd in Frankrijk en in andere landen. Een toepassing vormen microgolfwapens. Deeltjeskanonnen, bijvoorbeeld protonkanonnen die de lucht ioniseren en daardoor zichtbaar worden, zouden de waarneming van lichtstralen kunnen verklaren. Microgolven zouden verlamming van het menselijk lichaam kunnen verklaren.
In hetzelfde hoofdstuk worden vervolgens de 'globale hypotheses' bestudeerd. De auteurs beschouwen UFO-grappenmakerij als weinig voorkomend en gemakkelijk te herkennen. Enige niet-wetenschappelijke hypotheses worden terzijde geschoven, zoals samenzweringen en manipulaties door machtige geheime groeperingen, parapsychologische fenomenen en collectieve hallucinaties. De hypothese van de geheime (door de mens gemaakte) wapens wordt eveneens als zeer onwaarschijnlijk beschouwd. Dan blijven over de diverse buitenaardse hypotheses. Eén versie hiervan is in Frankrijk ontwikkeld door de astronomen Jean-Claude Ribes en Guy Monnet en is gebaseerd op de 'ruimte-eilanden' van de Amerikaanse fysicus O'Neill. Deze hypothese is verenigbaar met de huidige natuurkunde.
De organisatie van het UFO-onderzoek in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Rusland wordt snel doorgenomen. In de Verenigde Staten blijken uit de media en de opinieonderzoeken een opmerkelijke belangstelling en bezorgdheid bij het publiek, maar het officiële standpunt, in het bijzonder dat van de luchtmacht, is er een van ontkenning. Preciezer uitgedrukt: men zegt dat er geen dreiging voor de nationale veiligheid bestaat. In werkelijkheid vertellen documenten die zijn vrijgegeven onder de FOIA (wet op de openbaarheid van informatie) een ander verhaal. Een verhaal van het in het oog houden van nucleaire installaties door UFO's [dit is herhaaldelijk voorgekomen in de VS en Rusland - GB] en de voortdurende bestudering van UFO's door militaire en civiele inlichtingendiensten.
Het rapport benadrukt het belang van particuliere, onafhankelijke organisaties in de Verenigde Staten. Het noemt The UFO Briefing Document - Best Available Evidence, dat in 1995 aan zo'n duizend personen wereldwijd is gestuurd en de Sturrock Workshop in 1997, die beide werden gesponsord door Laurance Rockefeller. Het Briefing Document is klaarblijkelijk met genoegen ontvangen door de auteurs van het COMETA-rapport. Het comité maakt tevens melding van de verschijning in het openbaar van mensen die naar verluidt insiders zijn, zoals kolonel Philip Corso, en neemt in overweging dat zijn verklaring voor een deel tekenend kan zijn voor de ware toestand in de VS. Dit ondanks de vele critici die anders beweren.
Het rapport beschrijft beknopt de situatie in Groot-Brittannië. In het bijzonder wordt genoemd Nick Pope [burgermedewerker bij het Ministerie van Defensie en auteur van twee boeken over UFO's - GB] en stelt de vraag of er mogelijk geheime studies bestaan die tezamen met Amerikaanse diensten worden uitgevoerd. Tevens wordt onderzoek in Rusland genoemd en de vrijgave van enige informatie, in het bijzonder door de KGB in 1991.
DEEL III: UFO's en defensie
In het derde deel, 'UFO's en defensie' (Les OVNI et la défense), wordt verklaard dat, indien het waar is dat geen vijandige UFO-acties zijn bewezen, er toch wel enkele 'intimiderende' acties zijn geregistreerd in Frankrijk (bijvoorbeeld de zaak van de Mirage IV). Daar de buitenaardse herkomst van de UFO's niet kan worden uitgesloten, is het noodzakelijk de consequenties te bestuderen van die hypothese, niet alleen op strategisch niveau maar ook op het gebied van politiek, religie, de media en de publieke informatievoorziening.Het eerste hoofdstuk van Deel III is gewijd aan toekomstige strategieën (Prospectives stratégiques) en het begint met fundamentele vragen: "Wat indien het buitenaardsen zijn? Welke bedoelingen en welke strategie kunnen we afleiden uit hun gedrag?"
Met dergelijke vragen opent een controversiëler deel van het rapport. Mogelijke beweegredenen van buitenaardse bezoekers worden hier onderzocht, zoals de bescherming van de planeet aarde tegen de gevaren van een nucleaire oorlog. Deze suggestie zou bijvoorbeeld kunnen worden afgeleid uit het herhaaldelijk vliegen over nucleaire-raketbases. Het comité overdenkt vervolgens de mogelijke repercussies op het officiële of inofficiële gedrag van andere naties en richt zich op de mogelijkheid van het bestaan van geheime, geprivilegieerde contacten die "misschien kunnen worden toegeschreven aan de Verenigde Staten". Sinds de UFO-golf van 1947 en de gebeurtenissen bij Roswell, wordt de houding van de VS als uiterst vreemd gezien. Sinds die tijd schijnt een beleid van steeds verdergaande geheimhouding van kracht te zijn. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn het tegen elke prijs willen beschermen van militaire technologische superioriteit die zou kunnen worden verkregen uit de bestudering van UFO's.
Daarna gaat het rapport in op de vraag: "Welke maatregelen moeten we nu nemen?" Wat de aard van UFO's ook is, ze leggen ons op zijn minst "kritische waakzaamheid" op, in het bijzonder ten aanzien van het risico van "destabiliserende manipulaties". Een soort "kosmische waakzaamheid" zou door de elites zowel nationaal als internationaal in acht moeten worden genomen om shockerende verrassingen, foutieve interpretaties en vijandige manipulatie te voorkomen.
Op binnenlands gebied dringt COMETA aan op de versterking van SEPRA en beveelt de vorming aan van een groep op het hoogste regeringsniveau die de ontwikkeling wordt toevertrouwd van hypotheses, strategie, en voorbereiding van samenwerkingsovereenkomsten met Europese en andere landen. Een verdere stap zou kunnen zijn dat de Europese landen en de Europese Unie binnen het raamwerk van politieke en strategische allianties diplomatieke actie tegenover de Verenigde Staten gaan ondernemen.
Een hamvraag in het rapport is: "Op welke situaties moeten we zijn voorbereid?" Het noemt situaties als: buitenaardse stappen om officieel contact te maken; ontdekking van een UFO-/buitenaardse basis binnen het Europese gebied; invasie (wordt onwaarschijnlijk geacht) en lokale of grootschalige aanvallen; manipulatie of moedwillige desinformatie gericht op het destabiliseren van andere staten.
COMETA besteedt speciale aandacht aan ‘luchtvaartimplicaties’, met gedetailleerde aanbevelingen bestemd voor het diverse personeel, zoals vliegers, luchtverkeersleiders, meteorologen en ingenieurs. Het doet ook aanbevelingen op wetenschappelijke en technische niveaus, die gericht zijn op het ontwikkelen van onderzoek met potentieel nut voor defensie en industrie.
Voorts onderzoekt het rapport de politieke en religieuze implicaties van UFO's, waarbij gebruik wordt gemaakt van een model dat uitgaat van ons eigen ruimteonderzoek: hoe zouden wij het doen en hoe zouden wij contacten met minder vergevorderde beschavingen hanteren? Zo'n benadering is niet nieuw voor goed geïnformeerde lezers van de rijke ufologische literatuur, maar doordat het hier op een dergelijk hoog niveau serieus wordt behandeld, heeft het een speciale waarde. De media- en publiciteitsimplicaties worden niet vergeten door het aanroeren van de problemen van desinformatie, de angst om belachelijk te worden gemaakt en manipulatie door bepaalde groepen. In haar conclusie stelt COMETA dat de fysieke realiteit van UFO's die door intelligente wezens worden bestuurd "quasi-zeker" is. Slechts één hypothese houdt rekening met de beschikbare gegevens: de hypothese van de buitenaardse bezoekers. Deze hypothese is natuurlijk onbewezen, maar heeft vérstrekkende consequenties. De doeleinden van de vermoedelijke bezoekers blijven onbekend, maar moeten het onderwerp zijn van speculaties en toekomstige scenario's.
Aanbevelingen en bijlagen
In zijn slotaanbevelingen benadrukt het COMETA-rapport nogmaals de noodzaak van:
- het informeren van alle besluitvormers en personen in verantwoordelijke posities;
- het vergroten van middelen voor onderzoek en studie bij SEPRA;
- instanties die zich bezighouden met de bewaking van de ruimte moeten UFO-detectie hierbij betrekken.
- het vormen van een strategische groep [voor studie en analyse] op het hoogste overheidsniveau;
- diplomatieke actie ondernemen in de richting van de Verenigde Staten voor samenwerking ten aanzien van deze "kapitale vraag";
- het bestuderen van maatregelen die noodzakelijk kunnen zijn in geval van noodgevallen.
- Radar-detectie in Frankrijk;
- Waarnemingen door astronomen;
- Leven in het heelal;
- Kolonisatie van de ruimte;
- De zaak Roswell - De desinformatie (een ondertitel die door sommige lezers zal worden bekritiseerd en door anderen toegejuicht);
- Ouderdom van het UFO-fenomeen en elementen voor een chronologie [van UFO-gebeurtenissen];
- Overdenking van diverse psychologische, sociologische en politiek aspecten van het UFO-fenomeen.
Aangehaalde UFO-gevallen
De auteurs van dit Franse UFO-rapport selecteerden een beperkte, maar indrukwekkende keuze van UFO-gevallen om de ernst van het onderwerp te illustreren. Veel van deze gevallen zullen bekend zijn bij ervaren ufologen.Hier volgen korte beschrijvingen van enkele gevallen vermeld in het COMETA-rapport.
- Getuigenverklaring van de Franse piloot M. Giraud, 7 maart 1977: Giraud en zijn navigator vlogen 's nachts met een Mirage IV straaljager nabij Dijon, toen ze een fel licht snel zagen naderen. Het licht achtervolgde hen op een afstand van 1500 meter, ondanks dat ze ontwijkende manoeuvres uitvoerden. Ze zochten radiocontact met een militair radarstation, maar de UFO werd niet op radar waargenomen.
- Getuigenverklaring van de Franse straaljagerpiloot kolonel Claude Bosc, 3 maart 1976: Tijdens een nachtvliegoefening met een T-33 zag Bosc een helder licht met hoge snelheid naderen op botsingskoers. Zijn straaljager werd gedurende enkele seconden omhuld door een groen fosforescerend licht. De radar nam niets waar, maar twee andere piloten zagen de ontmoeting vanaf een afstand.
- Air France vlucht 3532, 28 jan. 1994: Piloot en co-piloot van een Airbus 320-111 die overdag nabij Parijs op een hoogte van 39.000 voet (12 km) vloog, meldden dat ze een zeer groot schijfachtig luchtvaartuig zagen ongeveer 30 mijl (55 km) ver weg en iets onder hen. De militaire radar bevestigde de aanwezigheid van een object met een diameter van ongeveer 250 meter. Het object werd visueel en op radar gedurende ongeveer 50 seconden waargenomen, waarna het plotseling verdween.
- RAF-basis Lakenheath, Engeland, 13-14 aug. 1956: buitengewone UFO-gebeurtenissen vonden plaats over een periode van zes uren. Zeer duidelijke radarwaarnemingen van meer dan twaalf objecten die soms sneller vlogen dan 4000 mijl per uur (7400 km/u) en soms langzamer dan 100 mijl per uur (185 km/u). Straaljagers werden gealarmeerd en kwamen het UFO-verkeer tegen maar konden het niet identificeren.
- RB-47-zaak, Verenigde Staten, 17 juli 1957: "Waarschijnlijk het belangrijkste UFO-geval uit de geschiedenis," zegt de ervaren onderzoeker Jerome Clark. De bemanning van een RB-47 bommenwerper was twee uur lang verwikkeld in een confrontatie met een UFO boven de staten Mississippi, Louisiana en Texas. De UFO werd gelijktijdig visueel en zowel door grondradar als boordradar radar gevolgd. Tevens kon een signaal afkomstig van de UFO worden waargenomen.
- Teheran, Iran, 18 sept. 1976: Twee F-4 Phantom straaljagers van de Iraanse luchtmacht bonden elk de strijd aan met een heldere, snel bewegende UFO, die visueel en op radar kon worden gevolgd. Bij het benaderen van de UFO weigerden herhaaldelijk de wapens en besturingsfuncties van de straaljagers, wat deze dwong zich terug te trekken. Gezien werd dat een tweede UFO zich separeerde van de hoofd-UFO en deze leek te landen.
- Kapustin Yar, Rusland, 28-29 juli 1989: Militair personeel rapporteerde een duidelijk zichtbare schijfvormige UFO die laag boven een militaire raketbasis zweefde en die een lichtbundel liet schijnen op een wapendepot. De waarneming duurde negentig minuten. Een soortgelijk rapport kwam later die nacht van een nabijgelegen basis.
- Trans-en-Provence, Frankrijk, 8 jan. 1981: Een schijfvormige metaalachtige UFO werd waargenomen door de landbouwer Renato Niccolai. Deze UFO landde om vijf uur 's middags kort in zijn luzernenveld en steeg weer op en vloog weg. Onderzoek wees uit dat een zeer zwaar object, mogelijk vier tot vijf ton wegend, de aarde op de landingsplaats had ingedrukt. Ook planten waren duidelijk aangetast.
- Nancy, Frankrijk, 21 okt. 1982: Een wetenschapper (die anoniem blijft) nam een klein schijfvormig object waar dat in de vroege namiddag geruisloos vlak boven zijn tuin zweefde. Het object bleef ongeveer twintig minuten, waarna het plotseling met hoge snelheid wegvloog. Amarantplanten in de tuin waren aangetast; analyse deed de aanwezigheid van een krachtig elektrisch veld vermoeden.
Vertaling en bewerking: Frits Westra
Terug